Okee. We waren in de Keukenhof. Omdat we omwonenden waren, mochten we gratis. vanwege de verkeersoverlast. Inmiddels kennen alle inwoners van Lisse al jaren een sluipweggetje het dorp uit, waarlangs geen autobussen kunnen rijden, maar goed.
“Wil je een koekje?”, vroeg een vader aan zijn kind in een wandelwagentje.
Het kind keek strak voor zich uit.
“Und dies ist denn die Linda de Mol tulpe”, zei een Duitse mevrouw tegen haar man. Hij bukte zich en las het naamkaartje.
“Ze is alleen niet meer te herkennen, zo stevig is ze gelift”, zei hij.
“Misschien is de tulp ook gelift”, zei de vrouw en maakte een foto.
“Koekje?”, zei de man voor ons nu iets dringender tegen zijn kind.
Die hield de kaken stijf op elkaar.
Dit werd een zwijger, later.
Een kind dat later van school zou komen, en niets tegen papa zou vertellen.
Niets over de tekening. Niets over de zandbak. Niets over de ruzie op het klimrek. Dit kind oefende zich in niets zeggen, nooit meer.
Mijn schoonmoeder begon een lang verhaal over een ver familielid, dat huwelijksproblemen had. Zo te horen had hij het allemaal aan zichzelf te danken.
“Ik snap niet waarom die meid bij hem blijft”.
Ze maakte een foto van een rodondendron.
Achter haar stond alweer een Japanner klaar om haar zijn fototoestel te overhandigen. Als we alle camera’s hadden gehouden die ons waren aangeboden om de Japanse eigenaar mee vast te leggen, dan hadden we morgen een winkel kunnen openen.

“Liever, wil je een koekje!” sprak de man voor ons nu hardop tegen zijn kind.
Die zei nog steeds helemaal niks.
We slenterden achter drommen mensen aan, en andere drommen slenterden achter ons aan. Er wordt wel eens beweerd dat de mens een uniek en individueel totaal verschillend wezen is. Dat geldt dan niet op moederdag, zo bleek in Lisse.
In de verte begon het draaiorgel opnieuw te spelen, en een nieuwe Japanner bood ons zijn camera aan.

“Lieverd, wil je nou een koekje verdomme!” loeide de man voor ons tegen het kind in het karretje. Het kind bleef hardnekkig zwijgen.
In die kakelende, fotograferende meute was het een mini-oase van stilte.
De man voor ons keek om zich heen. Een beetje wanhopig was hij wel.
“Wat een lief kind”, zei mijn schoonmoeder.
“Hij zegt alleen niks”, bromde de man.
Toen schreeuwde hij heel hard tegen het kind: “KOEKJE?”
Het kind zweeg. Toen schudde het langzaam zijn hoofd.